Ook ik ben het gezicht van armoede ...

Gepubliceerd op 13 oktober 2026 om 13:52

Armoede heeft niet één gezicht.

Je ziet het niet altijd aan iemands kleren.
Niet aan hoe iemand praat.
Niet aan wat iemand vroeger gedaan heeft.

En vaak zie je het vooral niet omdat mensen hun trots proberen te bewaren.

Ook ik ben het gezicht van armoede.

Daarom wil ik mijn verhaal vertellen.

Over hoe ik erin terechtkwam.
Over de mensen en systemen die ik onderweg tegenkwam.
Over de plaatsen waar ik niet geholpen werd.

Maar ook over de plekken waar iemand mij eindelijk wél zag.

 

Negen jaar geleden ben ik weggegaan bij mijn ex-partner.

Samen met mijn kinderen trok ik in bij mijn ouders.

Ik dacht toen dat weggaan het moeilijkste zou zijn.

Dat was het niet.

Wat daarna kwam, voelde soms als de hel.

Omdat de kinderen en ik bij mijn ouders gedomicilieerd waren, bleef mijn ex in onze woning wonen.

Mensen rondom mij stelden mij gerust.

“De rechter zal wel rekening houden met de kinderen.”

“De kinderen zullen voorrang krijgen.”

Ik geloofde dat.

Maar het huis werd uiteindelijk aan mijn ex toegewezen.

Hij woonde er tenslotte nog.

Wij niet meer.

 

 

 

Samen met mijn kinderen bij mijn ouders wonen was moeilijk.

We zaten dicht op elkaar.

Er was weinig ruimte.

Weinig rust.

En ondertussen moest ik verder.

Ik was zelfstandige.

Ook daar kwam een financiële afrekening.

Ik moest de helft van de waarde van mijn kleine zaak aan mijn ex uitbetalen.

Het huis werd geschat.

De inboedel niet.

Van de woning kreeg ik uiteindelijk mijn helft.

Met dat geld kocht ik een ander huis.

Ik sloot een lening af.

Ik probeerde opnieuw te beginnen.

 

Maar mijn lichaam en mijn hoofd waren ondertussen al jaren aan het overleven.

Vechten.

Voor de kinderen.

Voor mijn zaak.

Voor financiële zekerheid.

Tegen angst.

Tegen de voortdurende spanningen met mijn ex.

Tegen telefoontjes en berichten.

Tegen verhalen en leugens die over mij werden verspreid.

 

Op een bepaald moment kon ik niet meer.

Ik kwam in een depressie terecht.

Ik ben iemand die vecht.

En ik wist dat ik hulp nodig had.

Dus ging ik in therapie.

Anderhalf jaar lang.

Dat kostte veel geld.

Maar mijn gezondheid was belangrijk.

Ik wilde opnieuw overeind komen.

Alleen veranderden de omstandigheden rondom mij niet.

En langzaam begonnen ook mensen rondom mij afstand te nemen.

Mijn ouders.

Mijn broers.

Uiteindelijk ook mijn kinderen.

Ze begrepen mij niet meer.

En ik begreep steeds minder hoe ik uit die neerwaartse spiraal moest geraken.

 

Ik verloor uiteindelijk bijna alles.

Mijn huis.

Mijn zaak.

Mijn auto.

Alle materiële zekerheid die ik ooit had opgebouwd.

Doorheen die jaren klopte ik verschillende keren aan bij het OCMW.

De eerste keer kreeg ik te horen dat ze mij niet konden helpen omdat ik zelfstandige was.

Later was het omdat ik een huis bezat.

Nog later kreeg ik uiteindelijk een leefloon.

Maar tegen dan dreigde ik al letterlijk zonder woning te vallen.

Ik weet nog hoe ik op een afspraak binnenkwam.

Nog voor ik goed en wel zat, werd mij heel duidelijk gezegd:

“Wij hebben niets voor u.”

Dat kwam hard binnen.

Niet alleen omdat ik hulp nodig had.

Maar omdat ik mij op dat moment volledig afgewezen voelde.

Ik had mijn hele leven gewerkt.

Ik had belastingen betaald.

Ik had mijn kinderen grootgebracht.

Ik had geprobeerd om voor mezelf te zorgen.

En op het moment dat ik zelf niet meer kon, voelde het alsof er nauwelijks iets voor mij bestond.

Ik begreep het niet.

 

 

Uiteindelijk was er een vrouw die medelijden met mij had.

Zij maakte tijdelijk plaats vrij in haar huis.

Geen echte oplossing.

Geen eigen woning.

Gewoon iemand die zei:

“Je kunt hier voorlopig terecht.”

Het OCMW kwam langs.

Ik dacht dat ze zouden zien dat dit een noodoplossing was.

Dat ik nog altijd geen eigen thuis had.

In plaats daarvan kreeg ik te horen dat ik nu als samenwonend werd beschouwd.

Mijn leefloon zou worden verminderd.

Ik geloofde mijn oren niet.

Ik woonde daar niet omdat ik ervoor gekozen had om met iemand samen te leven.

Ik woonde daar omdat ik anders nergens naartoe kon.

Maar voor het systeem maakte dat blijkbaar weinig verschil.

Ik probeerde dat uit te leggen.

Dat dit tijdelijk was.

Dat dit geen duurzame woonsituatie was.

Dat iemand mij gewoon uit menselijkheid had binnengelaten.

Maar ik had het gevoel dat er niet echt naar mij geluisterd werd.

De plaats waar ik mij wél gehoord en gezien voelde, was het Huis met de Vele Kamers.

Daar was ik lid van de praatgroep van Wistermee.

Daar hoefde ik niet telkens opnieuw te bewijzen dat mijn verhaal ingewikkeld genoeg was.

Daar luisterden mensen.

Ook bij het CAW vond ik gehoor.

Maar ook daar botste ik opnieuw op een systeem dat voor mij niet logisch aanvoelde.

Als je dringend een plek nodig hebt, verwacht je dat opvang snel beschikbaar is.

In werkelijkheid kan je een jaar of langer wachten op een kamer in een opvanghuis.

En dan kreeg ik uiteindelijk ook nog te horen dat zo'n opvang voor mij eigenlijk niet de juiste plaats was.

Misschien klopte dat.

Maar wat is dan het alternatief?

Dat was er niet.

 

Ik schreef mij in voor een sociale woning.

Ook daar: wachten.

Lange wachtlijsten.

Jaren waarin je leven ondertussen gewoon verdergaat.

 

 

Vandaag ben ik 55 jaar.

En woon ik opnieuw bij mijn ouders.

Niet omdat dat mijn keuze is.

Niet omdat dit mijn plan was voor mijn leven.

Maar omdat ik wacht op iets beters.

Opnieuw.

 

Ik werk vandaag voltijds.

Ik moet ook wel.

Er is een betalingsachterstand voor mijn kinderen.

Jaren geleden beslisten zij om opnieuw bij hun vader te gaan wonen.

Daarmee verloor ik niet alleen het dagelijkse contact.

Ik heb zoveel gemist.

Het huwelijk van mijn oudste.

Belangrijke momenten.

Beslissingen.

Het gevoel dat ik nog ergens bij hoorde.

Boven mijn hoofd hing ondertussen een stempel.

Psychisch ziek.

Ze heeft niets.

Ze kan niet voor haar kinderen zorgen.

Die woorden zijn zwaar.

Zeker wanneer je jarenlang hebt geprobeerd om precies het tegenovergestelde te bewijzen.

 

 

Er zijn momenten geweest waarop ik niet wist hoeveel ik nog kon dragen.

Ik heb ooit gedacht:

Misschien hoeft het voor mij niet meer.

Misschien zou stoppen makkelijker zijn.

Maar ergens zat blijkbaar nog meer kracht in mij dan ik zelf wist.

Ik ben er nog.

Ik werk.

Ik probeer opnieuw iets op te bouwen.

En ik wil mijn verhaal gebruiken.

Niet omdat ik medelijden wil.

Niet omdat ik mezelf als slachtoffer wil neerzetten.

Maar omdat ik weet hoe het voelt om hulp nodig te hebben en nergens te passen.

Te zelfstandig voor het ene systeem.

Te kwetsbaar voor het andere.

Een woning bezitten en toch financieel verdrinken.

Een tijdelijk dak boven je hoofd hebben en daardoor minder ondersteuning krijgen.

Werk hebben en toch achterop raken.

Hulp vragen en horen dat er niets is.


I

k wil daarom graag mee aan tafel zitten.

Praten over betere communicatie.

Over hoe hulp wordt aangeboden.

Over wat systemen met mensen doen wanneer regels belangrijker lijken dan de werkelijkheid waarin iemand leeft.

Maar vooral wil ik mijn ervaring delen.

Omdat ik dat kan.

Omdat ik het durf.

En omdat er veel mensen zijn die hetzelfde meemaken maar die woorden niet vinden.

Mensen die stil worden.

Die afhaken.
Die geen hulp meer durven vragen.
Die ergens onderweg gaan geloven dat het allemaal hun eigen schuld is.

Daarom vertel ik mijn verhaal.

Omdat armoede niet altijd zichtbaar is.

Omdat iemand die vandaag werkt, een huis heeft en alles onder controle lijkt te hebben, morgen alles kan verliezen.

Omdat achter ieder dossier een mens zit.

En omdat niemand gereduceerd zou mogen worden tot een statuut, een diagnose, een inkomen of een vakje in een systeem.

Ook ik ben het gezicht van armoede.

En ik wil niet alleen gezien worden om wat ik verloren ben.

Ik wil gezien worden als mens.

Sofie H.