“Maar daar heb jij toch recht op?”
Ik haal mijn schouders op.
“Blijkbaar.”
“Heb je het dan aangevraagd?”
Nee.
Natuurlijk niet.
Ik wist niet eens dat het bestond.
Het begon met een brief.
Vier bladzijden.
Veel tekst.
Woorden die ik drie keer moest lezen en daarna nog altijd niet begreep.
Referentie-inkomen.
Gezinssamenstelling.
Belastbaar inkomen.
Bewijsstukken.
Een termijn waarbinnen ik moest reageren.
Onderaan stond een website.
Meer informatie vindt u online.
Ik heb de brief op tafel gelegd.
Daar heeft hij drie weken gelegen.
Niet omdat het mij niet interesseerde.
Niet omdat ik het geld niet nodig had.
Maar omdat ik niet wist waar ik moest beginnen.
Later zei iemand:
“Volgens mij heb jij recht op een tegemoetkoming.”
Volgens mij.
Dat hoor ik vaak.
“Misschien heb je recht op…”
“Je zou eens moeten kijken naar…”
“Heb je dat sociaal voordeel al aangevraagd?”
Iedere keer komt er iets bij waarvan ik blijkbaar had moeten weten dat het bestond.
Maar niemand geeft je bij armoede een map met:
Dit zijn uw rechten.
Hier heeft u recht op.
Wij regelen het voor u.
Je moet het zelf ontdekken.
En daarna bewijzen.
Ik probeer het online.
Itsme.
Aanmelden.
Een digitaal loket.
Ik klik.
Nog een pagina.
Nog een vraag.
Nog een document dat ik moet opladen.
Voeg uw meest recente aanslagbiljet toe.
Mijn wat?
Ik zoek het op.
Dan raak ik op een andere website.
Daar moet ik opnieuw aanmelden.
Mijn telefoon vraagt een code.
De code komt niet.
Ik probeer opnieuw.
Na twintig minuten staat er:
Uw sessie is verlopen.
Ik klap mijn laptop dicht.
Morgen.
Morgen probeer ik opnieuw.
Dat zeg ik vaak.
Maar morgen moet ik naar mijn werk.
Daarna boodschappen.
Eten maken.
Facturen bekijken.
Bellen naar de energieleverancier.
Een afspraak maken bij de dokter die ik al weken uitstel.
Er is altijd iets dringender dan een recht waarvan ik niet zeker weet of ik het überhaupt zal krijgen.
Dus wordt morgen volgende week.
En volgende week volgende maand.
Een keer ben ik naar een dienst gegaan.
Ik had mijn papieren mee.
Dacht ik.
“Uw bewijs van inkomen ontbreekt.”
“Dit is toch mijn inkomen?”
“Ja, maar wij hebben een ander attest nodig.”
“Waar haal ik dat?”
“Dat kunt u downloaden.”
Natuurlijk.
Downloaden.
Ik voel mij op zo'n moment dom.
Dat ben ik niet.
Maar zo voelt het wel.
Iedereen aan de andere kant van het bureau lijkt te begrijpen hoe het systeem werkt.
En jij bent degene die alweer het verkeerde papier bij heeft.
Ik zeg:
“Oké. Ik kom terug.”
Dat heb ik niet gedaan.
Soms is het geen onwetendheid.
Soms weet ik dat er misschien iets bestaat.
Maar dan durf ik niet.
Omdat ik bang ben dat ik iets verkeerd invul.
Dat ik een bedrag krijg waar ik achteraf toch geen recht op bleek te hebben.
Dat er over een jaar een brief komt:
U moet €1.846 terugbetalen.
Ik heb dat bij iemand gezien.
Sindsdien denk ik:
Misschien beter niets krijgen dan later iets moeten terugbetalen wat ik allang heb uitgegeven aan eten en elektriciteit.
En soms is er schaamte.
Daar praat bijna niemand over.
Voor sommige rechten moet je opnieuw vertellen wat je inkomen is.
Met wie je samenwoont.
Wat je bezit.
Wat je niet bezit.
Hoeveel er op je rekening staat.
Waarom je niet meer werkt.
Waarom je relatie stukgelopen is.
Waarom je schulden hebt.
Waarom je hulp nodig hebt.
Je moet je leven op tafel leggen.
Niet één keer.
Opnieuw.
En opnieuw.
En opnieuw.
Na een tijdje denk je:
Laat maar.
Ik red het wel.
Ook wanneer je het eigenlijk niet redt.
Een hulpverlener bekeek onlangs samen met mij mijn situatie.
Ze draaide haar scherm naar mij.
“Wist je dat je hier waarschijnlijk al een hele tijd recht op hebt?”
Nee.
Ze rekende uit wat het mij had kunnen schelen.
Per maand leek het niet gigantisch.
Maar toen ze het over een heel jaar optelde, werd ik stil.
Dat waren boodschappen.
Een energiefactuur.
Nieuwe schoenen.
Een tandartsbezoek dat ik had uitgesteld.
Geld waarop ik recht had.
Geld dat ik nooit gekregen had.
Niet omdat ik te veel verdiende.
Niet omdat ik niet voldeed aan de voorwaarden.
Maar omdat ik de weg ernaartoe niet gevonden had.
Daar bestaat een woord voor.
Non-take-up.
Een moeilijk woord voor iets dat eigenlijk heel eenvoudig is:
Je hebt een recht.
Maar je krijgt het niet.
Omdat je niet weet dat het bestaat.
Omdat niemand het je vertelt.
Omdat de brief te moeilijk is.
Omdat alles digitaal moet.
Omdat je niet weet welk document ze bedoelen.
Omdat je van de ene dienst naar de andere wordt gestuurd.
Omdat je bang bent iets verkeerd te doen.
Omdat je bang bent dat je later moet terugbetalen.
Omdat je je schaamt.
Omdat je moe bent.
Of gewoon omdat je na de zoveelste drempel denkt:
Laat maar.
Mensen zeggen soms:
“Maar je moet natuurlijk zelf ook je rechten opnemen.”
Dat klinkt logisch.
Tot je probeert uit te zoeken waar die rechten verstopt zitten.
Ik denk soms:
Als de overheid weet hoeveel ik verdien.
Weet waar ik woon.
Weet wie bij mij gedomicilieerd is.
Weet welke uitkering ik krijg.
Waarom moet ík dan nog ontdekken waar ik recht op heb?
Waarom moet iemand die al moeite heeft om overeind te blijven ook nog specialist worden in formulieren, voorwaarden, loketten en uitzonderingen?
Een recht dat alleen bestaat voor wie het systeem begrijpt, is geen gelijk recht.
Een tegemoetkoming helpt niemand wanneer degene die ze nodig heeft niet weet dat ze bestaat.
Een sociaal voordeel verlaagt geen enkele factuur wanneer de weg ernaartoe te moeilijk is.
En een brief met bovenaan
“U heeft mogelijk recht op…”
verandert weinig als iemand hem na drie pogingen terug in de kast legt.
Ik had er recht op.
Dat weet ik nu.
Ik wist alleen niet hoe ik eraan moest geraken.