“Goed nieuws.”
Dat zegt mijn bemiddelaar.
Ik glimlach automatisch.
“Ze willen je aannemen.”
Even weet ik niet wat ik moet zeggen.
Eindelijk.
Na al die sollicitaties.
Na al die sollicitaties.
Na al die keren:
“We laten nog iets weten.”
Na al die gesprekken waarin ik moest uitleggen waarom er gaten in mijn cv zitten.
Waarom ik een tijd niet gewerkt heb.
Waarom deeltijds voor mij makkelijker zou zijn.
Waarom ik niet zomaar om zes uur ’s morgens kan beginnen.
Eindelijk iemand die ja zegt.
Ik heb werk.
Dat zou goed nieuws moeten zijn.
En dat is het ook.
Alleen begint in mijn hoofd meteen het rekenen.
“Waar is het precies?”
“Zeebrugge.”
Zeebrugge.
Ik woon in Brugge.
Ik heb geen auto.
Ik ben alleen met mijn twee kinderen.
Zes en acht.
Hun vader is er niet om de ene week over te nemen.
Geen regeling waarbij ik kan zeggen:
“Deze week zijn ze bij hem.”
Geen oma die elke ochtend om halfzes aan mijn deur staat.
Geen netwerk dat gaten opvangt wanneer mijn werkuren niet overeenkomen met schooluren.
Er is mij.
Dat is ons netwerk.
Ik breng hen naar school.
Ik haal hen op.
Als eentje ziek is, ben ik degene die gebeld wordt.
Als er pedagogische studiedag is, is het mijn agenda die moet schuiven.
Als de opvang volzet is, heb ík een probleem.
Niet “wij”.
Ik.
De job begint om zeven uur.
Ik zoek het op.
Brugge naar Zeebrugge.
Met de fiets.
Ongeveer vijftien kilometer als je goed zit.
Vanaf mijn deur is het meer.
Ik kijk naar de route.
Dan naar het uur.
Dan opnieuw naar de route.
Ik moet daar om zeven uur zijn.
Dus moet ik rond zes uur vertrekken.
Misschien vroeger.
Want tegenwind bestaat ook.
Regen ook.
Een lekke band ook.
Winter ook.
Maar mijn kinderen kunnen om zes uur nergens naartoe.
De schoolopvang is dan nog dicht.
De kinderopvang die ik bel ook.
“Vanaf hoe laat kunnen ze bij jullie terecht?”
“Halfzeven.”
Te laat.
Volgende.
“Hebben jullie nog plaats voor twee kinderen?”
“Voor welke dagen?”
“Alle werkdagen.”
“Dan vrees ik dat we niets hebben.”
Volgende.
“Kan het flexibel? Mijn uurrooster kan wisselen.”
Stilte.
“Flexibele opvang is moeilijk, mevrouw.”
Ik weet het.
Daarom bel ik.
’s Avonds zit ik aan de keukentafel.
Laptop open.
Telefoon ernaast.
De kinderen liggen in bed.
Ik zoek.
Kinderopvang Brugge.
Voorschoolse opvang.
Flexibele opvang.
Opvang vanaf zes uur.
Opvang alleenstaande ouder.
Opvang werk.
Ik klik.
Ik bel.
Ik mail.
Wachtlijst.
Geen plaats.
Niet zo vroeg open.
Geen vervoer naar hun school.
Te duur.
Niet op woensdag.
Niet tijdens vakanties.
Geen flexibele uren.
Na een tijdje weet ik niet meer welke organisatie ik al gebeld heb.
Ik schrijf namen op een blad.
Er staan strepen naast.
Nee.
Nee.
Wachtlijst.
Nee.
Terugbellen.
Volzet.
En ondertussen ligt daar die job.
Mijn job.
Want dat is het frustrerende.
Ik wíl werken.
Ik wil niet thuis zitten.
Ik wil ’s morgens kunnen zeggen:
“Mama moet gaan werken.”
Ik wil loon op mijn rekening.
Niet elke maand opnieuw uitrekenen wat eerst betaald moet worden.
Ik wil op een formulier bij beroep iets kunnen invullen zonder dat mijn maag samentrekt.
Ik wil mijn kinderen tonen dat ik het kan.
Misschien wil ik het mezelf vooral tonen.
Dus wanneer mensen zeggen:
“Ja, maar je moet natuurlijk wel willen werken.”
Dan doet dat iets met mij.
Want ik wil.
God, wat wil ik.
Ik heb alleen niemand aan wie ik om kwart voor zes twee slapende kinderen kan afgeven.
“Kan je niet met de trein?”
Dat vraagt iemand.
Natuurlijk heb ik dat bekeken.
Trein.
Bus.
Fiets.
Combinaties.
Maar openbaar vervoer brengt mijn kinderen niet naar school.
Een trein stopt niet even onderweg zodat ik twee boterhamdozen kan afgeven.
En zelfs als ik zelf op tijd in Zeebrugge raak, blijft dezelfde vraag liggen:
Waar zijn mijn kinderen terwijl ik onderweg ben?
“Kan iemand uit je familie helpen?”
Nee.
“Een buurvrouw?”
Niet elke ochtend.
“Een babysit?”
Vanaf vijf uur ’s morgens?
Vijf dagen per week?
En betalen met welk geld?
“Een auto zou makkelijker zijn.”
Ja.
Een auto zou makkelijker zijn.
Een huis met een extra slaapkamer ook.
Een spaarrekening ook.
Familie die kan helpen ook.
Maar ik moet oplossingen zoeken met het leven dat ik héb.
Niet met het leven dat handig zou zijn.
Ik bespreek het met mijn bemiddelaar.
Ik leg uit dat ik geen opvang vind.
Dat de uren niet lukken.
Dat ik geen auto heb.
Dat Zeebrugge misschien niet ver lijkt, maar dat ik met de fiets moet.
“Het is wel een passende vacature.”
Passend.
Dat woord blijft hangen.
Ik weet dat er regels zijn.
Ik weet dat ik beschikbaar moet zijn voor werk.
Ik weet dat ik niet zomaar een job kan weigeren.
En ergens begrijp ik dat ook.
Maar ik zou willen dat iemand één ochtend naast mij kwam staan.
Om vijf uur dertig.
Hier.
In mijn keuken.
Twee slapende kinderen boven.
Een fiets buiten.
Regen tegen het raam.
Een job in Zeebrugge die om zeven uur begint.
En dan nog eens zegt:
“Het is toch maar vijftien kilometer?”
Want blijkbaar wordt afstand in kilometers gemeten.
Niet in levens.
Brugge.
Zeebrugge.
Minder dan zestig kilometer.
Dus op papier valt het mee.
Op papier staat niet dat ik eerst twee kinderen wakker moet maken.
Dat ik geen opvang heb.
Dat hun schoolpoort nog dicht is wanneer ik eigenlijk al halverwege Zeebrugge moet zijn.
Dat ik na mijn shift opnieuw vijftien kilometer terug moet.
Dat ik hen daarna moet ophalen.
Boodschappen doen.
Eten maken.
Huiswerk.
Douchen.
Was.
Bed.
En de volgende ochtend opnieuw.
Op papier is Zeebrugge dichtbij.
Op een koude ochtend met tegenwind voelt het anders.
Ik probeer een oplossing te maken.
Misschien kan de oudste vroeger bij een vriendinnetje terecht.
Misschien kan mijn buurvrouw één dag.
Misschien kan ik voor twee ochtenden opvang betalen.
Misschien kan iemand op woensdag.
Misschien kan mijn werkgever mijn uren verschuiven.
Misschien.
Misschien.
Misschien.
Mijn hele leven hangt aan mensen die misschien kunnen helpen.
Ik stuur mijn werkgever een bericht.
Of ik een halfuur later mag beginnen.
Ik leg niet alles uit.
Ik wil nog niet lastig zijn voor ik begonnen ben.
Ik wil niet dat ze denken:
Daar heb je het al.
Een alleenstaande moeder.
Problemen.
Ik wil gewoon werknemer zijn.
Niet “de alleenstaande mama voor wie we voortdurend iets moeten aanpassen”.
Het antwoord komt later.
De uren liggen vast.
Om zeven uur beginnen.
De volgende dag vraagt mijn dochter:
“Mama, heb je nu die nieuwe job?”
Ik kijk naar haar.
“Misschien.”
“Maar ze wilden jou toch?”
“Ja.”
“Waarom is het dan misschien?”
Probeer dat maar eens uit te leggen aan een kind van acht.
Dat iemand jou een job geeft.
Dat jij die job wilt.
Dat de overheid verwacht dat je werkt.
Dat iedereen zegt dat werk de weg vooruit is.
Maar dat niemand weet wat je met twee kinderen moet doen vóór de school open is.
“Het is wat moeilijk met de uren.”
Ze denkt even na.
“Wij kunnen toch alleen thuisblijven?”
Mijn hart breekt een beetje.
“Nee, schat.”
“Maar wij zijn flink.”
“Ik weet het.”
En dat zijn ze.
Veel te flink soms.
Omdat kinderen van ouders die alles alleen moeten doen vaak heel vroeg leren om flink te zijn.
Ik wil mijn kinderen niet om kwart over vijf uit hun bed halen.
Hen half slapend ergens afzetten.
Als ik al iemand vind.
Ik wil niet dat mijn dochter verantwoordelijk wordt voor haar broertje omdat mama moet werken.
Ik wil niet kiezen tussen een goede moeder zijn en bewijzen dat ik wil werken.
Waarom voelt het dan alsof dat precies de keuze is die ik moet maken?
Er wordt vaak gezegd dat werk mensen uit armoede haalt.
Ik geloof dat ook.
Werk kan zoveel veranderen.
Een inkomen.
Zelfvertrouwen.
Contact met andere mensen.
Een toekomst.
Maar tussen “werk vinden” en “kunnen gaan werken” ligt soms een wereld.
Kinderopvang.
Vervoer.
Schooluren.
Uurroosters.
Geld.
Een netwerk.
Dingen die vanzelfsprekend lijken wanneer je ze hebt.
En onoverkomelijk worden wanneer je ze niet hebt.
Ik bel nog één opvang.
“Sorry mevrouw, volledig volzet.”
Ik zeg dat ik het begrijp.
Ik bedank haar.
Ik leg mijn telefoon neer.
Op mijn scherm staat nog altijd de mail van mijn nieuwe werkgever.
We kijken ernaar uit u te verwelkomen.
Ik ook.
Echt.
Ik moet alleen nog uitzoeken hoe ik tegelijkertijd om zeven uur in Zeebrugge kan staan en om halfnegen met mijn kinderen aan de schoolpoort in Brugge.
Blijkbaar moet dat allebei kunnen.
Want de afstand is minder dan zestig kilometer.
Het recht op arbeid betekent meer dan zeggen dat mensen moeten werken.
Het betekent ook dat mensen de kans moeten krijgen om werk werkelijk mogelijk te maken.
Ook wanneer ze geen auto hebben.
Geen groot netwerk.
Geen groot inkomen.
En kinderen die niet verdwijnen zodra een werkdag begint.
Kinderopvang is voor mij geen luxe.
Het is geen gemak.
Het is het verschil tussen een job kunnen aannemen en ze moeten laten gaan.
Tussen vooruit kunnen en opnieuw stilstaan.
Tussen horen:
“Je moet werken.”
en daadwerkelijk kúnnen werken.
Op papier liggen Brugge en Zeebrugge dicht bij elkaar.
Tussen mijn voordeur en die job liggen twee kinderen waarvoor eerst iemand moet zorgen.