“Ja, de studio is nog beschikbaar.”
Ik voel mijn schouders zakken.
Heel even.
“Mag ik eens komen kijken?”
“Ja hoor. Wat doe je van werk?”
Daar is de vraag.
Altijd die vraag.
Ik weet ondertussen dat ik ze beter meteen beantwoord.
“Ik krijg momenteel een leefloon.”
Stilte.
Niet lang.
Misschien twee seconden.
Maar lang genoeg.
“Ah.”
Nog een stilte.
“Dan gaat het moeilijk worden.”
Ik weet wat er nu komt.
Soms zeggen ze dat de eigenaar iemand zoekt met een vast contract.
Soms dat mijn inkomen te laag is.
Soms dat er al heel veel kandidaten zijn.
Soms wordt de studio plots toch niet meer verhuurd.
En soms zeggen ze het gewoon.
“Met een leefloon beginnen we niet.”
Klik.
Gesprek gedaan.
Ik blijf nog even naar mijn telefoon kijken.
Alsof er iets anders zal verschijnen als ik lang genoeg wacht.
Dit was nummer zeven deze week.
Of acht.
Ik ben de tel kwijt.
Ik ben 22.
Ik krijg een leefloon.
Dat is blijkbaar het belangrijkste wat je over mij moet weten als je een woning zoekt.
Niet waarom ik het krijg.
Niet waar ik vandaan kom.
Niet hoe hard ik probeer.
Alleen dat ene woord.
Leefloon.
Ik ben niet thuis vertrokken omdat ik zin had om alleen te wonen.
Ik ben vertrokken omdat thuis al lang geen thuis meer was.
Er waren jaren waarin ik nooit wist hoe de avond zou eindigen.
Geschreeuw.
Deuren die dichtsloegen.
Dagen waarop iedereen deed alsof er niets gebeurd was.
En andere dagen waarop ik zo stil mogelijk probeerde te zijn.
Niet opvallen.
Niet antwoorden.
Niet in de weg lopen.
Ik heb heel lang gedacht dat dat normaal was.
Dat je thuis altijd moest voelen aan de sfeer wanneer je binnenkwam.
Dat je aan de manier waarop iemand een sleutel in het slot draaide al kon horen of je beter naar je kamer ging.
Dat slapen met je kleren aan normaal was omdat je niet wist of je die nacht nog ergens anders terecht zou moeten.
Later kreeg dat allemaal namen.
Trauma.
Onveiligheid.
Overlevingsmechanismen.
Mooie woorden voor dingen die nog altijd in mijn lichaam zitten.
Ik schrik van harde geluiden.
Ik slaap slecht.
Soms raak ik in paniek zonder dat ik zelf begrijp waarom.
Ik heb dagen waarop alles goed gaat.
En dagen waarop opstaan al veel is.
Maar ik probeer.
Echt.
Toen ik thuis wegging, dacht ik dat het moeilijkste achter mij lag.
Dat ik eindelijk opnieuw kon beginnen.
Een eigen plek.
Een deur die ik zelf kon sluiten.
Een sleutel die van mij was.
Een ruimte waar niemand plots zou binnenstormen.
Waar ik niet voortdurend moest opletten.
Waar stilte gewoon stilte kon zijn.
Ik had geen grote dromen.
Geen loft.
Geen nieuwbouw.
Geen terras op het zuiden.
Gewoon een kleine studio.
Een bed.
Een tafel.
Een douche.
Een deur met een slot.
Iets van mezelf.
Blijkbaar is dat heel veel gevraagd.
Iedere ochtend kijk ik naar nieuwe advertenties.
Ik heb meldingen ingesteld.
Immoweb.
Facebook.
Verhuurkantoren.
Alles.
Soms staat een advertentie nog maar twintig minuten online en als ik bel, zijn er al vijftien kandidaten.
Soms mag ik komen kijken.
Dan sta ik samen met tien anderen in een kleine studio.
Iedereen kijkt rond.
Iedereen probeert vriendelijk over te komen.
Iedereen weet dat we eigenlijk naar elkaar kijken.
Wie heeft de beste papieren?
Wie heeft het hoogste loon?
Wie ziet eruit als de minste kans op problemen?
Ik heb mijn map bij.
Identiteitskaart.
Bewijs van inkomen.
Documenten van het OCMW.
Alles netjes.
Ik zorg dat ik op tijd ben.
Ik trek propere kleren aan.
Ik ben beleefd.
Ik stel geen moeilijke vragen.
Ik probeer vooral niet wanhopig te klinken.
Dat is moeilijk wanneer je wanhopig bent.
“En wat is uw inkomen?”
Daar is hij weer.
“Ik krijg een leefloon.”
Je ziet soms letterlijk iets veranderen in hun gezicht.
Een klein stapje achteruit.
Een blik naar mijn papieren.
“Ah ja.”
Vanaf dan weet ik het meestal.
Deze wordt het ook niet.
Een keer was er een studio die echt goed voelde.
Klein.
Veel te klein volgens sommige mensen waarschijnlijk.
Maar er kwam licht binnen.
Er stond een kleine keuken.
En er was een raam naast het bed.
Ik zag mezelf daar al zitten.
Met een koffietas.
Rust.
Ik durfde zelfs even te denken:
Hier zou ik kunnen wonen.
De verhuurder leek vriendelijk.
Hij vroeg waarom ik alleen ging wonen.
Ik zei dat mijn thuissituatie moeilijk was.
Niet alles.
Dat doe ik niet meer.
Je leert snel dat je je verhaal moet doseren.
Genoeg vertellen zodat mensen begrijpen waarom je hulp nodig hebt.
Maar niet zoveel dat ze je ingewikkeld vinden.
Hij knikte.
“En inkomen?”
“Leefloon.”
Hij keek naar mij.
Toen naar zijn papieren.
“Ja, kijk… Ik begrijp uw situatie wel. Maar als verhuurder moet ik natuurlijk ook zekerheid hebben.”
Zekerheid.
Ik hoor dat woord vaak.
Verhuurders willen zekerheid.
Dat begrijp ik.
Echt.
Maar soms vraag ik mij af wanneer ik eens zekerheid mag hebben.
Want dat is wat ik zoek.
Niet alleen een woning.
Zekerheid.
Weten waar ik volgende maand slaap.
Mijn spullen ergens kunnen laten staan.
Niet iedere keer mijn leven in zakken moeten steken.
Een adres kunnen invullen zonder erbij te moeten nadenken hoe lang het nog klopt.
Een plek hebben waar een hulpverlener niet zegt:
“Dit is voorlopig.”
Ik wil ook voorlopig eens voorbij.
Een leefloon is bedoeld om mij te helpen opnieuw op mijn voeten te komen.
Maar om opnieuw op mijn voeten te komen heb ik een plek nodig om ze neer te zetten.
Dat lijkt soms het stuk dat niemand ziet.
“Werk zoeken.”
“Stabiel worden.”
“Je leven opbouwen.”
Ik wil dat allemaal.
Maar probeer maar eens stabiel te worden als je niet weet waar je binnenkort woont.
Probeer maar eens te herstellen van een onveilige jeugd terwijl je opnieuw afhankelijk bent van tijdelijke oplossingen.
Probeer maar eens goed te slapen wanneer je geen plek hebt waarvan je weet: hier mag ik blijven.
Soms denk ik dat ik beter kan liegen.
Niet zeggen dat het een leefloon is.
Een ander woord gebruiken.
Iets verzinnen.
Maar uiteindelijk moet je de documenten toch tonen.
En eigenlijk wil ik ook niet liegen.
Ik heb niets misdaan.
Ik krijg hulp omdat ik hulp nodig heb.
Waarom voelt het dan telkens alsof ik mij daarvoor moet schamen?
Alsof dat leefloon alles vertelt over wie ik ben.
Alsof het zegt:
onbetrouwbaar.
Risico.
Probleem.
Terwijl niemand vraagt hoeveel het gekost heeft om hier überhaupt te geraken.
Om weg te gaan.
Om hulp te vragen.
Om elke ochtend opnieuw te proberen.
Gisteren belde ik opnieuw.
“Dag, ik bel voor de studio.”
“Ja, die is nog vrij.”
“Kan ik komen kijken?”
“Wat doe je van werk?”
Ik sloot even mijn ogen.
“Ik krijg momenteel een leefloon.”
“Ah.”
Daar was die stilte weer.
“Dan vrees ik dat het niet zal lukken.”
Ik weet ondertussen wat ik moet zeggen.
“Oké. Bedankt.”
Ik hang op.
Geen discussie.
Geen uitleg.
Geen boosheid.
Daar heb ik de energie niet meer voor.
Ik open de volgende advertentie.
En bel opnieuw.
Want wat moet ik anders?
In België zeggen we dat iedereen recht heeft op behoorlijke huisvesting.
Voor mij betekent dat geen groot huis.
Geen luxe.
Zelfs geen aparte slaapkamer.
Het betekent een plaats waar ik veilig ben.
Waar ik de deur achter mij kan dichttrekken.
Waar ik kan slapen zonder op mijn hoede te zijn.
Waar ik eindelijk kan beginnen herstellen van alles waar ik juist vandaan probeer te komen.
Maar vandaag is mijn eerste opdracht nog altijd dezelfde:
iemand vinden die verder kijkt dan mijn inkomen.
Verder dan dat ene woord.
Leefloon.
Want telkens wanneer een verhuurder hoort waarvan ik leef, lijkt mijn hele verhaal daar te stoppen.
Terwijl mijn leven daar net opnieuw zou moeten kunnen beginnen.