“Mag ik het grote deken?”
Ik kijk op van mijn telefoon.
“Welke?”
“Dat zachte. Van in jullie kamer.”
Mijn dochter staat in haar pyjama in de deuropening van de woonkamer.
Acht jaar.
Dikke sokken aan.
Trui over haar pyjama.
“Heb je het koud?”
“Nee.”
Ze zegt het te snel.
“Nee hoor. Ik vind dat gewoon gezellig.”
Ik weet niet of ik moet lachen.
Of huilen.
“Pak maar.”
Ze loopt naar boven.
Even later komt ze terug met het grote fleece deken dat normaal op ons bed ligt.
Haar broer zit al onder eentje in de zetel.
Zes jaar.
Alleen zijn hoofd steekt er nog bovenuit.
“Nu zijn we allemaal burrito’s”, zegt hij.
Hij lacht.
Mijn dochter kruipt naast hem.
Ik maak een foto.
Twee kinderen onder dekentjes in de zetel.
Op de foto ziet het er inderdaad gezellig uit.
Wat je niet ziet, is dat de verwarming al sinds vanmiddag uitstaat.
Het is januari.
Buiten is het vier graden.
Binnen weet ik het niet.
Ik wil het eigenlijk niet weten.
De thermostaat hangt in de gang.
Ik loop er bewust niet meer langs.
Vorige winter keek ik voortdurend.
Zestien graden.
Vijftien.
Soms veertien.
Alsof het cijfer minder erg werd als ik er maar vaak genoeg naar keek.
Deze winter kijk ik niet meer.
We zetten de verwarming 's morgens even aan.
Net genoeg om de ergste kou uit het huis te krijgen.
Als de kinderen naar school zijn, gaat ze uit.
Tegen dat ze thuiskomen, zet ik ze soms opnieuw een uurtje aan.
Soms.
Niet altijd.
Dat hangt ervan af hoeveel dagen er nog over zijn tot ons loon.
En hoeveel er nog op de rekening staat.
We werken allebei.
Dat zeg ik er altijd bij.
Geen idee waarom.
Misschien omdat ik bang ben voor wat mensen anders denken.
Mijn vriend werkt voltijds.
Ik werk deeltijds omdat de uren anders niet te combineren zijn met de kinderen.
We hebben geen groot huis.
Geen dure auto.
Geen verre reizen.
We wonen gewoon in een rijhuis dat we huren.
Toen we hier kwamen wonen, waren we vooral blij dat we iets gevonden hadden.
Twee slaapkamers.
Een klein tuintje.
Dicht bij de school.
Betaalbaar.
Of toch:
betaalbaarder dan de andere woningen die we bekeken hadden.
De eerste winter kwam de schimmel.
Eerst een klein zwart plekje in de hoek van onze slaapkamer.
Ik poetste het weg.
Een paar weken later was het terug.
Groter.
Daarna in de kamer van onze dochter.
Achter haar kast.
Langs het raam.
We kochten een product tegen schimmel.
We verluchtten.
We droogden geen was meer boven.
We zetten de kast verder van de muur.
We deden alles wat je blijkbaar moet doen wanneer je woning vochtig is.
De schimmel kwam terug.
De verhuurder kwam kijken.
“Jullie moeten meer verwarmen.”
Dat zei hij.
Meer verwarmen.
Ik weet nog dat ik bijna moest lachen.
Niet omdat het grappig was.
Omdat ik niet wist wat ik anders moest doen.
Meer verwarmen.
Alsof we daar zelf nog niet aan gedacht hadden.
Vorig jaar kregen we de eindafrekening van de energie.
Ik heb de envelop drie dagen op het aanrecht laten liggen.
Ik wist wat erin zat zonder ze open te maken.
Een bedrag dat we niet hadden.
Sindsdien kijken we anders naar die thermostaat.
Een graad lager.
Nog een graad.
Een uurtje minder.
De deuren dicht.
Rolluiken naar beneden.
Dekentje erbij.
“Doe maar een trui aan.”
Die zin zeggen we hier vaak.
De kinderen vinden dat normaal.
Dat vind ik misschien nog het ergste.
“Mama?”
Mijn dochter kijkt naar mij.
“Mag de verwarming een beetje hoger?”
Ik voel meteen hoe alles in mij aanspant.
Niet omdat ze iets verkeerd vraagt.
Omdat ik het antwoord eerst bereken.
Vandaag is het de 23ste.
Het loon komt volgende week.
De elektriciteitsfactuur moet nog af.
Er is nog €112 op de rekening.
Morgen moet ik boodschappen doen.
Vrijdag heeft mijn zoon zwemles en hij is uit zijn zwembroek gegroeid.
“Heb je echt zo koud?”
Op het moment dat ik het vraag, haat ik mezelf.
Ze is acht.
Ze zou haar kou niet moeten verdedigen.
“Een beetje.”
Ik sta op.
Zet de thermostaat één graad hoger.
“Zo.”
“Dank u.”
Dank u.
Mijn dochter bedankt mij omdat ik de verwarming aanzet.
Ik ga terug zitten.
Alsof dat normaal is.
Een paar weken geleden moest mijn zoon naar de dokter.
Weer hoesten.
Vooral 's nachts.
De dokter vroeg of ons huis vochtig was.
Ik zei ja.
“Schimmel?”
Ook ja.
Hij knikte.
Alsof hij dit gesprek vaker voert.
Goed verluchten, zei hij.
Voldoende verwarmen.
Daar was die zin weer.
Voldoende verwarmen.
Ik knikte.
Wat moest ik zeggen?
Dat gezondheid tegenwoordig mee afhangt van hoeveel geld er op dinsdag nog op onze rekening staat?
Dat ik weet dat een vochtig, koud huis niet goed is voor onze kinderen?
Dat ik dat niet eerst van hem moest horen?
We hebben gezocht naar iets anders.
Natuurlijk hebben we gezocht.
Soms 's avonds, wanneer de kinderen slapen, zitten we samen op immoweb.
“Deze?”
Te duur.
“Deze?”
Geen kinderen toegelaten.
“Deze?”
EPC F.
“Deze?”
€1.150.
We betalen nu al meer dan we eigenlijk aankunnen.
Bij sommige woningen moet je bewijzen dat je drie keer de huur verdient.
Dan hoeven we zelfs niet te bellen.
Dus blijven we hier.
Niet omdat we deze woning goed genoeg vinden.
Omdat dit de woning is die we kunnen betalen.
Of beter:
de woning waarvan we voorlopig de huur kunnen betalen.
Dat is iets anders.
Mijn dochter en zoon liggen ondertussen tegen elkaar in de zetel.
Onder hun dekentjes.
Er speelt een film.
Op tafel staat warme chocolademelk.
Daar heb ik dan wel voor gezorgd.
Mijn vriend komt binnen na zijn werk.
“Gezellig hier.”
Mijn dochter lacht.
“Wij hebben een dekenavond.”
Hij kijkt naar mij.
Heel even.
Meer is er niet nodig.
Hij weet het.
Ik weet het.
De kinderen niet.
En dat willen we zo houden.
Voor hen zijn die dekentjes gezellig.
Voor ons zijn ze een rekensom.
Een paar uur verwarming minder.
Een factuur die hopelijk iets lager is.
Nog een maand proberen rond te komen.
Nog een winter proberen door te raken.
Ik hoop dat ze later aan deze avonden terugdenken en zeggen:
“Wij zaten vroeger altijd gezellig samen onder een deken.”
Ik hoop dat dat is wat ze onthouden.
Niet de schimmel achter hun kast.
Niet de koude vloer wanneer ze 's morgens uit bed kwamen.
Niet hoe vaak wij zeiden:
“Doe nog maar een trui aan.”
Niet dat hun mama soms wachtte tot ze sliepen om de verwarming nog een graad lager te zetten.
Want dat is het vreemde aan armoede.
Van buitenaf zie je twee kinderen onder een dekentje.
Je ziet een gezin.
Een film.
Warme chocolademelk.
Gezellig.
Je ziet niet waarom dat deken daar ligt.
We zeggen dat iedereen recht heeft op behoorlijke huisvesting.
Maar wonen is meer dan vier muren en een dak.
Het is een huis waarin je kinderen niet ziek worden van vocht.
Een slaapkamer zonder schimmel.
Een woning die je warm kunt houden zonder bang te zijn voor de rekening die daarna komt.
Het is niet moeten kiezen tussen boodschappen doen en de thermostaat hoger zetten.
Niet aan je kind vragen:
“Heb je écht zo koud?”
Het recht op wonen staat in onze Grondwet.
Net als het recht op bescherming van de gezondheid en het recht op een menswaardig leven.
Grote woorden.
Tot je achtjarige dochter met dikke sokken en een trui over haar pyjama vraagt of ze nog een deken mag.
Dan wordt zo'n grondrecht plots heel klein.
Heel concreet.
En pijnlijk dichtbij.
Onze kinderen denken dat die dekentjes er liggen voor de gezelligheid.
Wij weten beter.