“Iedereen zegt dat je hulp moet vragen. Maar wat als je hulp vraagt en er gewoon geen plaats is?”
Thuis blijven ging niet meer.
Niet omdat ik dat wilde.
Niet omdat ik zin had om weg te gaan.
Het ging gewoon niet meer.
Dus stond ik buiten met wat kleren in een rugzak en mijn gsm in mijn hand.
Waar ga je dan naartoe?
Eerst probeer je vrienden.
“Kan ik vannacht bij jou slapen?”
De eerste keer lukt dat misschien nog.
De tweede keer ook.
Maar je voelt dat je in de weg loopt.
Je slaapt op een zetel. Je spullen staan in een hoek. ’s Morgens moet je weer vertrekken, want zij moeten werken of naar school.
En de volgende avond moet je opnieuw beginnen zoeken.
Op een bepaald moment blijft de nachtopvang over.
Ik dacht dat dat net de plek was voor mensen zoals ik. Mensen die nergens anders terechtkunnen.
Maar ook daar is een bed niet vanzelfsprekend.
Je belt.
Je wacht.
Je hoopt dat er nog plaats is.
Soms krijg je te horen:
“Het zit vol.”
En dan stopt het gesprek.
Maar voor mij begint het dan pas.
Want het is avond.
Ik heb nog altijd geen plek om te slapen.
Dus kijk je opnieuw in je contacten.
Wie kan ik nog bellen?
Bij wie heb ik vorige week nog niet geslapen?
Wie durf ik nog eens lastigvallen?
Soms stuur je een bericht naar iemand met wie je eigenlijk bijna geen contact meer hebt.
Gewoon omdat je niet weet waar je anders naartoe moet.
En als niemand antwoordt?
Dan probeer je ergens tijd te rekken.
Zo lang mogelijk binnen blijven. Rondlopen. Wachten tot het ochtend wordt.
Je let op je gsm, want die mag niet leeg zijn. Je hebt hem nodig om hulpverlening te bellen, om afspraken te regelen, om bereikbaar te zijn.
Je draagt je belangrijkste spullen gewoon bij je.
Want waar moet je ze anders laten?
Overdag verwacht iedereen ondertussen dat je je leven probeert op te lossen.
Je moet formulieren invullen.
Afspraken nakomen.
Een woning zoeken.
Naar diensten bellen.
Misschien naar school gaan of werken.
Op tijd komen.
Je verhaal opnieuw vertellen.
En opnieuw.
En opnieuw.
Maar eigenlijk zit er maar één ding in je hoofd:
Waar slaap ik vannacht?
Mensen zeggen dan dat je vooruit moet kijken.
Maar hoe kijk je vooruit als je niet eens weet waar je over een paar uur je ogen kunt sluiten?
Je wordt moe.
Niet alleen omdat je slecht slaapt.
Je wordt moe van het vragen.
Moe van uitleggen waarom je niet naar huis kunt.
Moe van afhankelijk zijn van anderen.
Moe van telkens hopen dat iemand zegt:
“Ja, er is nog plaats.”
Een bed voor één nacht lost je leven niet op.
Maar geen bed hebben, maakt bijna alles moeilijker.
Geen rust.
Geen privacy.
Geen vaste plek voor je spullen.
Geen zekerheid.
En nauwelijks ruimte in je hoofd om aan morgen te denken.
Dit gaat over meer dan opvang
Iedereen heeft recht op een menswaardig leven.
Daar hoort ook een veilige en stabiele plek om te wonen bij.
Wanneer een jongere thuis niet meer terechtkan, maar ook niet zeker is van een plaats in de opvang, komt dat recht heel dichtbij.
Dan gaat het niet meer over grote woorden.
Dan gaat het over een simpele vraag:
“Waar kan ik vannacht slapen?”
En over het feit dat niemand die vraag elke dag opnieuw zou moeten moeten stellen.
Een bed voor vannacht is noodzakelijk.
Een veilige plek om te wonen is een recht.
Rechten op papier zijn niet genoeg.
Armoede schendt mensenrechten.
Mensen maken het verschil.