“Papa, ik heb ook nog zo’n blauwe map nodig.”
Ik kijk naar de lijst.
Dan naar de spullen op tafel.
Dan opnieuw naar de lijst.
Verdomme.
Die blauwe map.
Ik was ze vergeten.
“Is die echt voor morgen?”
Hij kijkt me aan alsof ik een vreemde vraag stel.
“Ja papa. Dat staat toch op het blad?”
Negen jaar.
Negen jaar en hij kan beter lezen dan ik vanavond zou willen.
“Oké. Jas aan. We gaan nog snel.”
Het is 31 augustus.
Morgen begint school.
In de winkel loopt hij voor mij uit.
“Hier, papa!”
Hij houdt de map omhoog.
€ 4,49.
“Ja, pak maar.”
Ik heb thuis gerekend.
Meer dan één keer.
Huur betaald.
Elektriciteit betaald.
Internet nog niet.
Dat kan nog een paar dagen wachten.
De schoenen voor school waren nodig. Zijn tenen zaten bijna tegen de voorkant van de oude.
De boekentas van vorig jaar kan nog.
De pennenzak ook.
De drinkbus lekt een beetje, maar alleen als hij scheef ligt.
Dus die kan ook nog.
Ik heb € 38,17 op mijn rekening.
Over een paar dagen komt mijn loon.
Het lukt.
Het moet lukken.
“Papa?”
Hij staat naast me met iets in zijn handen.
Een doos kleurpotloden.
“De juf zei dat we goeie moesten hebben. Deze heeft Milan ook.”
€ 12,99.
Ik kijk naar de goedkopere.
€ 3,79.
“Deze zijn toch ook goed?”
Hij trekt zijn schouders op.
“Ja.”
Dat ene woord.
Ja.
Ik hoor dat hij eigenlijk nee bedoelt.
Ik leg de goedkope in het mandje.
Aan de kassa haal ik mijn telefoon boven.
De mevrouw scant.
Blauwe map.
Kleurpotloden.
Schriften.
Lijm.
Een nieuwe brooddoos omdat de sluiting van de oude gisteren afbrak.
Een passer waarvan ik tot vanmiddag niet wist dat hij die nodig had.
“Dat is dan € 41,86.”
Ik weet het meteen.
Nog voor ik mijn bankapp open.
€ 38,17.
Achter mij staat een vrouw met twee kinderen.
Een van hen zeurt om snoep.
Voor mij wacht de kassierster.
Mijn zoon staat naast mij.
“Momentje.”
Ik open mijn bankapp alsof er ondertussen misschien geld is bijgekomen.
€ 38,17.
Natuurlijk niet.
“Papa?”
“Ja, wacht even.”
Ik kijk naar de spullen.
Wat laat je liggen op 31 augustus?
De map?
Die moest hij morgen hebben.
De schriften?
De lijm?
De passer?
Zijn brooddoos?
Ik pak de kleurpotloden.
“Deze mogen er nog af.”
De kassierster kijkt even naar mij.
Dan naar mijn zoon.
Ik haat die blik.
Misschien bedoelt ze er niets mee.
Waarschijnlijk bedoelt ze er niets mee.
Maar ik voel hem toch.
Ze scant de kleurpotloden terug.
“Dan is het € 38,07.”
Tien cent.
Er blijft tien cent over.
“Papa, maar…”
“Thuis liggen nog kleurpotloden.”
Dat is gelogen.
Er liggen er nog zes.
Een rode zonder punt.
Twee blauwe.
Geel.
Bruin.
En een groene die zo klein is dat je ze bijna niet meer kunt vasthouden.
“Die zijn toch nog goed?”
Hij zegt niets.
Ik betaal.
Goedgekeurd.
Alsof ik net voor iets geslaagd ben.
In de auto is hij stil.
Ik ook.
Na een paar minuten zegt hij:
“Het is niet erg van die potloden, papa.”
Ik kijk naar de weg.
“Welke potloden?”
“Die van de winkel.”
“Maar jongen, thuis hebben we er toch.”
Weer die leugen.
“Ja.”
Even stil.
“En ik hoef ook geen nieuwe drinkbus hoor. Deze is nog goed.”
Ik slik.
Negen jaar.
Hij zou moeten nadenken over wie er morgen naast hem zit in de klas.
Of zijn nieuwe meester leuk zal zijn.
Of hij zijn vrienden gemist heeft.
Hij zou niet bezig moeten zijn met wat hij beter niet aan zijn papa vraagt.
Thuis leggen we alles op tafel.
Hij schrijft zijn naam op zijn schriften.
Heel zorgvuldig.
Ik steek de papieren in de blauwe map van € 4,49.
“Zie je wel dat we die nodig hadden, papa.”
“Ja, chef.”
Hij lacht.
Gelukkig.
Even later gaat hij naar boven.
“Wel vroeg slapen hé. Morgen grote dag.”
“Ja papa.”
“En leg je kleren klaar.”
“Heb ik al gedaan.”
Natuurlijk heeft hij dat al gedaan.
Hij heeft er al dagen zin in.
Wanneer hij in bed ligt, maak ik zijn boekentas verder klaar.
Brooddoos.
Drinkbus.
Schriften.
Pennenzak.
Blauwe map.
Ik neem de oude kleurpotloden uit de kast.
Zes.
Ik slijp ze.
Voorzichtig.
De rode breekt.
Nog eens slijpen.
Weer gebroken.
“Komaan.”
Ik zeg het harder dan nodig.
Alsof dat potlood er iets aan kan doen.
Uiteindelijk blijven er vijf over.
Ik leg ze in zijn pennenzak.
Vijf kleurpotloden voor de eerste schooldag.
Ik kijk ernaar en plots ben ik kwaad.
Niet op hem.
Niet op die juf.
Niet op de winkel.
Zelfs niet op die stomme kleurpotloden.
Op mezelf.
Omdat ik werk en het toch niet lukt.
Omdat ik vanmiddag prijzen stond te vergelijken voor schriften van 79 cent en € 1,29.
Omdat ik mijn zoon net heb geleerd dat hij beter kan zeggen dat hij iets niet nodig heeft.
Omdat er morgen kinderen zijn die met alles nieuw de klas binnenstappen en mijn kind vijf afgesleten kleurpotloden in zijn pennenzak heeft.
En vooral omdat ik weet dat hij dat verschil zal zien.
Mijn telefoon trilt.
Een melding.
Nieuwe mededeling van de school.
Ik open ze.
Welkom terug.
Praktische afspraken.
Schoolfotograaf later deze maand.
Uitstap gepland.
Zwemmen.
Een bijdrage voor...
Ik stop met lezen.
Niet vanavond.
Alsjeblieft.
Niet vanavond.
Ik leg mijn telefoon omgekeerd op tafel.
Op sociale media verschijnen ondertussen de eerste foto's.
Boekentassen netjes aan de voordeur.
Nieuwe schoenen.
Nieuwe outfits.
Ready for school.
Back to school.
Eindelijk weer structuur.
Ik scroll.
En ik weet dat wij morgenochtend ook zo'n foto zullen maken.
Hij met zijn boekentas aan de voordeur.
Glimlachend.
Ik zal waarschijnlijk iets schrijven als:
Klaar voor een nieuw schooljaar. Trots op jou, kerel. ❤️
En dat zal niet gelogen zijn.
Ik bén trots.
Ontzettend trots.
Maar niemand zal op die foto die vijf kleurpotloden zien.
Niemand ziet de € 0,10 op mijn rekening.
Niemand ziet dat het internet nog betaald moet worden.
Niemand ziet wat ik vanavond aan de kassa teruggelegd heb.
Zo werkt het blijkbaar.
Armoede staat zelden mee op de foto.
Voor ik ga slapen, ga ik nog even bij hem kijken.
Hij slaapt.
Naast zijn bed liggen zijn kleren klaar.
Zijn oude sneakers heeft hij netjes onder de stoel gezet.
Die voor school staan beneden.
Ik trek zijn deken wat hoger.
Op zijn nachtkastje ligt een briefje.
Ik herken mijn eigen kladpapier.
Er staat:
Niet vergeten: papa vragen geld voor school.
Ik blijf kijken.
Morgen zal ik hem zeggen dat hij dat briefje niet nodig heeft.
Dat papa dat wel regelt.
Dat hij zich daar geen zorgen over moet maken.
Dat is mijn job.
Ik ben zijn papa.
Ik wil dat hij morgen gewoon negen jaar is.
Niet het kind van een alleenstaande vader.
Niet het kind dat weet wanneer het loon van papa gestort wordt.
Niet het kind dat in de winkel zegt:
Het is niet erg, papa.
Gewoon een jongen van negen.
Op weg naar zijn eerste schooldag.
Morgen staat dezelfde schoolpoort open voor ieder kind.
Maar niet ieder kind stapt er met dezelfde kansen door.
Voor het ene gezin is 1 september een foto aan de voordeur.
Voor een ander begint 1 september weken eerder.
Met rekenen.
Uitstellen.
Vergelijken.
Schrappen.
En soms iets terugleggen aan de kassa.
We zeggen dat ieder kind recht heeft op onderwijs.
Maar onderwijs is meer dan een stoel in een klas.
Het is kunnen deelnemen.
Het materiaal hebben dat gevraagd wordt.
Mee kunnen op uitstap.
Kunnen sporten.
Een laptop hebben wanneer die nodig is.
Niet ziek worden van een rekening die mee naar huis komt.
En vooral:
kind mogen zijn, zonder de financiële zorgen van je ouders te leren dragen.
Mijn zoon heeft vandaag zelf gezegd dat hij geen nieuwe drinkbus nodig heeft.
Hij is negen.
Misschien moeten we stoppen met dat “flink” te noemen.
Misschien moeten we ons afvragen waarom een kind van negen überhaupt geleerd heeft om zo te denken.
Morgen is het 1 september.
Zijn boekentas staat klaar.
Zijn blauwe map zit erin.
Zijn vijf kleurpotloden ook.
En morgenochtend zal ik glimlachen.
Voor hem.
Want mijn stress hoeft niet in zijn boekentas.
Armoede schendt mensenrechten.
Soms ziet dat eruit als grote woorden, cijfers en beleid.
En soms...
is het gewoon een doos kleurpotloden van € 12,99
die op 31 augustus aan de kassa moet achterblijven.