Ik ben het beu om de mens achter de armoede te moeten verdedigen ...

Gepubliceerd op 13 oktober 2026 om 14:03

Wanneer menswaardigheid iets wordt wat je blijkbaar eerst moet verdienen.

Soms kom ik uit een overleg en vraag ik me oprecht af waar we in godsnaam mee bezig zijn.

 

Niet omdat we geen oplossingen vinden.
Niet omdat de problemen te groot zijn.
Maar omdat ik alweer een mens heb moeten verdedigen.

Alweer heb moeten uitleggen waarom iemand reageert zoals hij reageert.
Waarom iemand vastloopt.
Waarom iemand niet zomaar doet wat van hem verwacht wordt.
Waarom iemand, ondanks alles wat fout loopt in zijn leven, nog altijd recht heeft op begrip, respect en kansen.

En weet je wat mij misschien nog het meest raakt? Dat ik het blijkbaar nodig vind om dat telkens opnieuw uit te leggen.
Alsof ik eerst een overtuigend pleidooi moet houden vooraleer iemand nog als volwaardig mens bekeken wordt.

Ik ben niet moe van onze gasten.
Ik ben moe van de manier waarop we als samenleving over hen spreken.

Van de oordelen die zo gemakkelijk uitgesproken worden. Van de snelheid waarmee iemand herleid wordt tot zijn schulden, zijn leefloon, zijn gedrag, zijn fouten of zijn verleden.

Van het feit dat één verkeerde beslissing soms voldoende is om alles wat iemand wél is, volledig uit te wissen.

Waarom gaat hij niet werken?
Waarom heeft zij dan nog een smartphone?
Waarom komt hij zijn afspraken niet na?
Waarom doet ze niet gewoon wat er gevraagd wordt?

En daar gaan we weer.

Uitleggen. Nuanceren. Verdedigen.

Dat trauma's niet verdwijnen met een afsprakenbrief. Dat overleven zoveel energie kan vragen dat er nauwelijks ruimte overblijft om vooruit te kijken. Dat iemand die al jarenlang tegen gesloten deuren botst, op een bepaald moment niet meer aanklopt.

 

Dat mensen fouten maken. Soms grote fouten.

Maar sinds wanneer bepaalt de mate waarin iemand erin slaagt zijn leven op orde te krijgen hoeveel menselijkheid hij verdient?

En het ergste is misschien dat die blik niet alleen leeft bij mensen die ver van armoede afstaan.

We horen hem ook in vergaderingen. In dienstverlening. In beleid. En ja, soms zelfs binnen de hulpverlening.

Ook wij zijn niet immuun voor die manier van kijken.

We spreken over dossiers, probleemgedrag, onvoldoende motivatie en gebrek aan zelfredzaamheid.

We brengen tekorten in kaart. Formuleren doelstellingen. Leggen voorwaarden op.

En ondertussen dreigt de mens achter al die problemen te verdwijnen.

We verwachten dat mensen hun leven veranderen, maar staan veel te weinig stil bij wat onze manier van kijken met hen doet.

Want onderschat dat niet.

Wie voortdurend moet bewijzen dat hij hulp verdient, begint zich uiteindelijk te schamen voor het feit dat hij hulp nodig heeft.

Wie telkens opnieuw moet uitleggen waarom zijn leven anders loopt, wordt moe van zijn eigen verhaal.

Wie voortdurend gewantrouwd wordt, verliest het vertrouwen.

En wie lang genoeg behandeld wordt alsof hij niets kan, begint soms zelf te geloven dat hij niets waard is.

 

Tot mensen zwijgen. Afhaken. Niet meer komen.

En dan noemen we hen ongemotiveerd.

We duwen mensen soms zo ver weg dat we hen vervolgens verwijten dat ze onbereikbaar zijn geworden.

En net daar raakt dit aan iets wat veel fundamenteler is dan hulpverlening.

Dit gaat over mensenrechten.

Artikel 23 van onze Grondwet zegt dat ieder het recht heeft een menswaardig leven te leiden.

Ieder.

Niet alleen mensen die werken. Niet alleen mensen die de juiste keuzes maken. Niet alleen mensen die dankbaar, beleefd en meewerkend zijn.

Ook iemand die schulden heeft. Ook iemand met een verslaving. Ook iemand die boos wordt, afspraken mist of keer op keer hervalt in dezelfde moeilijkheden.

Mensenrechten zijn geen beloning voor wie het goed doet. Ze zijn er juist om de waardigheid van ieder mens te beschermen.

En toch lijken we van menswaardigheid steeds vaker iets voorwaardelijks te maken.

We verwachten dat mensen eerst bewijzen dat ze voldoende inspanningen leveren, de juiste houding aannemen en onze verwachtingen inlossen.

Pas dan lijken begrip, vertrouwen en kansen vanzelfsprekend.

Maar wat blijft er van het recht op menswaardig leven over wanneer je voortdurend moet verantwoorden waarom je dat recht verdient?

 

Wanneer je recht op wonen botst op het oordeel dat je zelf je schulden veroorzaakt hebt?

Wanneer je nood aan gezondheidszorg ondergeschikt wordt aan de vraag waarom je niet beter voor jezelf zorgt?

Wanneer je stem pas ernstig genomen wordt als je je verhaal vertelt op een manier die voor anderen aanvaardbaar is?

Dan worden rechten in de praktijk afhankelijk van ons oordeel over de mens die ze nodig heeft.

En dat is precies wat mij zo kwaad maakt.

Omdat armoede op zich al zoveel afneemt. Zekerheid. Kansen. Gezondheid. Rust. Het gevoel erbij te horen.

Moeten wij daar dan ook nog iemands waardigheid bovenop afnemen?

Moet iemand die het moeilijk heeft werkelijk ook nog vechten om gezien te worden als mens?

En ja, dat weegt. Ook op ons als werkers.

Omdat we zoveel energie steken in het verdedigen van onze gasten, terwijl we die energie zouden moeten kunnen gebruiken om samen met hen drempels weg te werken.

Omdat we soms meer bezig zijn met het weerleggen van vooroordelen dan met het bestrijden van onrecht.

Omdat we telkens opnieuw moeten uitleggen dat achter een dossier een mens zit.

Een mens die geen perfect levensverhaal moet kunnen voorleggen om respect te verdienen.

Ik wil onze gasten niet langer voortdurend moeten verdedigen.

Ik wil dat er naar hen geluisterd wordt. Dat we hun ervaringen ernstig nemen. Dat we niet alleen vragen wat zij anders moeten doen, maar eindelijk ook wat wij als samenleving moeten veranderen.

 

 

Want mensen in armoede vragen geen uitzonderingsbehandeling.

Ze vragen geen andere rechten.

Ze vragen dat de rechten die voor iedereen gelden, ook voor hen werkelijkheid worden.

En misschien moeten we onszelf dringend een veel ongemakkelijkere vraag stellen.

Niet waarom mensen in armoede er niet altijd in slagen om aan onze verwachtingen te voldoen.

Maar waarom wij er als samenleving zo vaak niet in slagen om hen met dezelfde waardigheid te behandelen als ieder ander.

Ik ben het beu om te moeten bewijzen dat onze gasten volwaardige mensen zijn.

Hun menselijkheid staat niet ter discussie. Ons vermogen om die menselijkheid te blijven zien, blijkbaar wel.

En zolang we dat niet durven erkennen, missen we misschien wel het belangrijkste puzzelstuk in onze strijd tegen armoede.

Niet alleen het recht op een menswaardig leven.

Maar de bereidheid om iedere mens ook werkelijk als mens te behandelen.